"Made in Europe": een industriële sprong voorwaarts of een protectionistische luchtspiegeling voor de EU

"Made in Europe": een industriële sprong voorwaarts of een protectionistische luchtspiegeling voor de EU

Gegevens

Nummer
2026/4
Publicatiedatum
23 februari 2026
Auteur
Redactie
Rubriek
Nieuws

Geconfronteerd met de erosie van haar productiebasis, overweegt de Europese Unie de invoering van een "Europese preferentie" voor de gunning van overheidsopdrachten in met name koolstofarme industrieën. Het idee, dat lange tijd marginaal was, boekt vooruitgang in Brussel, wordt gesteund door Parijs en wordt nu besproken in Berlijn. Maar juridische en economische beperkingen staan "Made in EU" in de weg.

Is de "Europese preferentie" in de industrie die door Emmanuel Macron - en door vrijwel alle politieke partijen in Frankrijk - wordt bepleit DE oplossing voor de EU? Dit idee, dat lange tijd werd gezien als een Frans-Franse rage, wint terrein binnen de EU-instellingen, op een moment dat het erg slecht gaat met "fabriek Europa", van de sector hernieuwbare energie tot chemicaliën, staal, batterijen en auto's. Het principe? Systematisch de voorkeur geven aan "Made in Europe"-producten wanneer belastinggeld wordt uitgegeven in de EU-27, met name via overheidsopdrachten.

Voor de EU, van oudsher voorstander van vrijhandel, is er niets natuurlijks aan om zo'n nieuwigheid te onderschrijven. Dit geldt des te meer in het noorden van het continent, zoals Duitsland, waar elke maatregel die op protectionisme lijkt van oudsher met grote argwaan wordt bekeken. Maar door de huidige industriële crisis lijken de oude lijnen eindelijk te verschuiven. Sinds 2023 heeft de Duitse industrie 240.000 banen verloren, oftewel 10.000 per maand, vooral door de Chinese stoomwals. Beijing, net als Washington en vele anderen, deinst er niet voor terug om zijn eigen bedrijven te bevoordelen...

Daarom zal de Europese Commissie waarschijnlijk voorstellen om een eerste voorkeur in te voeren voor producten die in Europa zijn gemaakt als onderdeel van een hervorming die bekend staat als de "industriële versneller" en die op 25 februari zal worden gepresenteerd.

"De Chinezen hebben 'made in China', de Amerikanen hebben 'buy American', en de meeste andere economische machten hebben vergelijkbare programma's, die voorrang geven aan hun eigen strategische activa. Dus waarom zouden wij dat niet doen?" vatte de vicevoorzitter van de Commissie, Stéphane Séjourné, samen in een recente brief, ondertekend door meer dan duizend bedrijfsleiders uit de EU.

Economisch en budgettair verzet

Feit blijft echter dat deze naaste medewerker van Emmanuel Macron, die verantwoordelijk is voor het opstellen van de hervorming, de oorspronkelijke ambities van zijn kopie heeft moeten terugschroeven en de presentatie ervan de afgelopen maanden meerdere keren heeft moeten uitstellen vanwege sterke interne weerstand. In feite zal "Made in EU" langzaam van start gaan, en alleen voor bepaalde producten in een beperkt aantal sectoren die als "strategisch" worden beschouwd. Volgens een voorontwerp, uitgelekt naar de pers, gaat het om chemicaliën, auto's en staal. Maar ook koolstofarme industrieën (batterijen, fotovoltaïsche energie, windenergie, warmtepompen, geothermische energie, CO₂-afvangtechnologieën) waar de EU een groot risico loopt om van de kaart te worden geveegd, omdat ze - vaker wel dan niet - wordt geconfronteerd met de Chinese wurggreep.

Want hoewel het concept op papier voor de hand ligt, is er ook terechte kritiek op de Europese voorkeur. Is er, in een tijd waarin industriële waardeketens zo complex en geglobaliseerd zijn, bijvoorbeeld niet een risico dat industriële bedrijven in de EU in de voet worden geschoten wanneer ze afhankelijk zijn van een groot aantal buitenlandse onderdelen?

"Made in Europe"-eisen kunnen de kosten voor exportgerichte industrieën verhogen, waardoor de industriële transformatie en uiteindelijk ook de overgang naar schone energie wordt vertraagd. (...), betoogt een recente nota van de in Brussel gevestigde liberale denktank Bruegel. Zo is bijvoorbeeld vier vijfde van de batterijcelproductiecapaciteit in de EU gebouwd door Koreaanse bedrijven, wat Europese autofabrikanten ondersteunt die investeren in de productie van elektrische voertuigen", vervolgt het rapport.

Een andere beperking betreft de overheidsfinanciën. Als de overheden van de 27 lidstaten bij overheidsopdrachten de voorkeur gaan geven aan de leverancier die in Europa produceert in plaats van aan degene die de laagste prijs biedt, zou de totale rekening wel eens heel hoog kunnen uitvallen, in een tijd waarin veel lidstaten al een zware schuldenlast hebben.

Sceptici dringen er bij Brussel op aan om voorzichtig te werk te gaan. In een recente brief aan de Commissie roepen zes Noord-Europese landen (Estland, Finland, Letland, Litouwen, Nederland en Zweden) op om de toekomstige hervorming "beperkt en proportioneel te houden en rekening te houden met de gevolgen". Deze regeringen zijn ook bezorgd dat de Europese preferentie "een nieuwe laag complexe regelgeving" voor bedrijven zal creëren.

Hardnekkige juridische obstakels

Tot slot zijn er enkele juridische bezwaren. De EU heeft zich er formeel toe verbonden om bedrijven uit derde landen toegang te verlenen tot haar markten voor overheidsopdrachten door onder meer de Plurilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, onder auspiciën van de WTO te ondertekenen, of verschillende bilaterale handelsverdragen met tientallen partners over de hele wereld. "Schendingen van dergelijke verbintenissen zouden de reputatie van de EU schaden en zouden waarschijnlijk leiden tot juridische uitdagingen van nauwe bondgenoten zoals Japan of het Verenigd Koninkrijk", zegt Bruegel in zijn nota.

Geconfronteerd met al deze beperkingen lijkt er binnen de Commissie een alternatief te zijn ontstaan: het concept van "Made in Europe" evolueren naar "Made with Europe". Dit is wat Duitsland en Italië, de twee grootste industriële machten van de EU (vóór Frankrijk), bepleiten, zich bewust van zowel de risico's verbonden aan een strikte Europese preferentie als van de dwingende noodzaak om meer bescherming te bieden aan de productie van de Oude Wereld.

Concreet zouden onderdelen uit bepaalde partnerlanden (bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Canada of Japan) dezelfde voorkeursbehandeling kunnen krijgen als onderdelen van bedrijven uit de EU. De vraag is dan: aan hoeveel landen moet deze gunst worden verleend? Stéphane Séjourné zou het willen beperken tot een handvol zeer nauwe bondgenoten, onder bepaalde voorwaarden. De veel liberalere handelscommissaris Maroš Šefčovič pleit er daarentegen voor om de productielocaties van alle 80 partners waarmee de EU vrijhandelsovereenkomsten heeft gesloten, op te nemen. In dat geval zou "Made with Europe" in principe geen grote revolutie zijn, ook al staan de Verenigde Staten en China niet op deze lijst.

Geschreven door Clément Solal (journalist) en Vincent Couronne (doctor in Europees recht (corrector))

Dit document is automatisch vertaald met Deepl.