Home

Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In haar mededeling van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”) heeft de Commissie een nieuwe groeistrategie uitgestippeld. Die strategie moet de Unie transformeren tot een rechtvaardige en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar uiterlijk in 2050 netto (dat wil zeggen na aftrek van verwijderingen) geen broeikasgassen meer worden uitgestoten (“broeikasgasemissies”) en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Met de Europese Green Deal wordt beoogd het natuurlijk kapitaal van de Unie te beschermen, te behouden en te verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van de burgers te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. Die transformatie moet tegelijkertijd rechtvaardig en inclusief zijn, waarbij niemand achterblijft. De Commissie kondigde in haar mededeling van 12 mei 2021 getiteld “Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul” ook aan dat zij relevante instrumenten en stimulansen bevordert om het in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) neergelegde beginsel “de vervuiler betaalt” beter toe te passen en zo “gratis verontreiniging” volledig uit te faseren, teneinde zoveel mogelijk synergie tot stand te brengen tussen de ambitie om de samenleving koolstofvrij te maken en de ambitie om de verontreiniging naar nul terug te dringen.

  2. De Overeenkomst van Parijs(4), die op 12 december 2015 is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change — UNFCCC) (de “Overeenkomst van Parijs”), is op 4 november 2016 in werking getreden. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs zijn overeengekomen de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau. In het kader van het klimaatpact van Glasgow, dat werd aangenomen op 13 november 2021, heeft de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC, die als vergadering van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, ook erkend dat een beperking van de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau de risico’s en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk zou verminderen, en heeft zij zich ertoe verbonden de streefdoelen voor 2030 tegen eind 2022 aan te scherpen om de ambitiekloof te dichten.

  3. De aanpak van klimaat- en andere milieugerelateerde uitdagingen en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs vormen de kern van de Europese Green Deal. Het belang van de Europese Green Deal is alleen maar toegenomen in het licht van de zeer ernstige gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de gezondheid en het economische welzijn van de burgers van de Unie.

  4. De Unie heeft zich ertoe verbonden de nettobroeikasgasemissies van de hele economie van de Unie tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990, zoals bevestigd in de actualisering van de nationaal bepaalde bijdrage van de Europese Unie en haar lidstaten die bij het UNFCCC is ingediend namens de Europese Unie en haar lidstaten.

  5. Met Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad(5) is de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit voor de hele economie te bereiken, in wetgeving verankerd. Bij die verordening is ook het bindende interne streefcijfer van de Unie inzake een reductie van de nettobroeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) in de Unie tegen 2030 met ten minste 55 % te reduceren ten opzichte van de niveaus van 1990.

  6. Het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change — IPCC) van 2018 over de gevolgen van mondiale temperatuurstijgingen van 1,5 °C boven pre-industriële niveaus en de daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten biedt een sterke wetenschappelijke basis voor de aanpak van de klimaatverandering en illustreert de noodzaak om klimaatactie op te voeren. In dat verslag wordt bevestigd dat, om de kans op extreme weersomstandigheden te verkleinen, de broeikasgasemissies dringend moeten worden verminderd, en dat klimaatverandering tot een mondiale temperatuurstijging van 1,5 °C moet worden beperkt. Bovendien zullen er, als er niet snel matigingstrajecten worden geactiveerd die stroken met de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C boven pre-industriële niveaus, veel duurdere en complexere aanpassingsmaatregelen moeten worden genomen om de gevolgen van hogere niveaus van opwarming van de aarde te voorkomen. De bijdrage van Werkgroep I aan het zesde evaluatieverslag van de IPCC getiteld “Climate Change 2021: The Physical Science Basis” herinnert eraan dat klimaatverandering nu al gevolgen heeft voor elke regio op aarde en voorziet dat er in de komende decennia in alle regio’s sprake zal zijn van meer klimaatverandering. In dat verslag wordt benadrukt dat, tenzij de broeikasgasemissies onmiddellijk, snel en grootschalig worden verminderd, het beperken van de opwarming tot bijna 1,5 °C of zelfs 2 °C niet haalbaar zal zijn.

  7. De Unie voert een ambitieus klimaatbeleid en heeft een regelgevingskader ingesteld om haar streefcijfer inzake een reductie van broeikasgasemissies voor 2030 te bereiken. De wetgeving om dat streefcijfer te halen, bestaat onder meer uit Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(6), waarbij een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten in de Unie (hierna het “EU-ETS” genoemd) is ingesteld dat zorgt voor geharmoniseerde prijzen van broeikasgasemissies op Unieniveau voor energie-intensieve sectoren en subsectoren, Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad(7), waarbij nationale streefcijfers inzake de reductie van broeikasgasemissies tegen 2030 zijn ingevoerd, en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad(8), waarbij de lidstaten verplicht wordt de broeikasgasemissies in de sector van landgebruik te compenseren met de verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer.

  8. Hoewel de Unie haar interne broeikasgasemissies aanzienlijk heeft verminderd, zijn de broeikasgasemissies die in de invoer naar de Unie zijn vervat, toegenomen, waardoor de inspanningen van de Unie om haar mondiale broeikasgasemissievoetafdruk te verkleinen, worden ondermijnd. De Unie heeft de verantwoordelijkheid om een leidersrol op het gebied van mondiale klimaatactie op zich te blijven nemen.

  9. Zolang een aanzienlijk aantal internationale partners van de Unie een beleid voeren waarmee zij niet hetzelfde niveau van klimaatambitie als dat van de Unie halen, bestaat er een risico van koolstoflekkage. Er is sprake van koolstoflekkage wanneer, als gevolg van kosten in verband met klimaatbeleid, bedrijven in bepaalde sectoren of subsectoren van de industrie hun productie overbrengen naar andere landen of wanneer invoer uit die landen gelijkwaardige producten vervangt die minder broeikasgasintensief zijn. Dergelijke situaties kunnen immers de totale wereldwijde uitstoot doen toenemen, waardoor de beperking van de broeikasgasemissies in het gedrang komt, terwijl deze dringend noodzakelijk is om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C boven pre-industriële niveaus te houden en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven pre-industriële niveaus. Naarmate de Unie haar klimaatambitie verhoogt, zou dat risico van koolstoflekkage de doeltreffendheid van het emissiereductiebeleid van de Unie kunnen ondermijnen.

  10. Het initiatief voor een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (hierna het “CBAM” genoemd) maakt deel uit van het wetgevingspakket “Fit for 55”. Het CBAM moet als een essentieel element dienen van het instrumentarium van Unie voor de totstandbrenging van een klimaatneutrale Unie uiterlijk in 2050 in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, doordat het het risico van koolstoflekkage als gevolg van de verhoogde klimaatambitie van de Unie zal tegengaan. Het CBAM zal naar verwachting ook bijdragen aan het bevorderen van decarbonisatie in derde landen.

  11. Bestaande mechanismen om het risico van koolstoflekkage aan te pakken in sectoren of subsectoren waarin een dergelijk risico bestaat, bestaan uit de tijdelijke kosteloze toewijzing van EU-ETS-emissierechten en uit financiële maatregelen ter compensatie van indirecte-emissiekosten die voortvloeien uit broeikasgasemissiekosten die in elektriciteitsprijzen worden doorberekend. Die mechanismen zijn vastgesteld in respectievelijk artikel 10 bis, lid 6, en artikel 10 ter van Richtlijn 2003/87/EG. De gratis toewijzing van EU-ETS-emissierechten op het niveau van de best presterende installaties is ten aanzien van bepaalde industriële sectoren een beleidsinstrument om het risico van koolstoflekkage aan te pakken. In vergelijking met volledige veiling verzwakt die gratis toewijzing echter het prijssignaal dat het systeem geeft en ondergraaft zo de stimulansen voor investeringen in verdere reductie van broeikasgasemissies.

  12. Het CBAM wil die bestaande mechanismen vervangen door het risico van koolstoflekkage op een andere manier aan te pakken, namelijk door te zorgen voor een gelijkwaardige koolstofbeprijzing van binnenlandse en ingevoerde producten. Om een geleidelijke overgang van het huidige systeem van gratis toewijzingen naar het CBAM te garanderen, moet het CBAM stapsgewijs worden ingevoerd terwijl de gratis toewijzing in sectoren die onder het CBAM vallen, dienovereenkomstig wordt afgebouwd. De gecombineerde en tijdelijke toepassing van gratis toegewezen EU-ETS-emissierechten en het CBAM mag er in geen geval toe leiden dat Uniegoederen gunstiger worden behandeld dan goederen die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd.

  13. De koolstofprijs stijgt en bedrijven hebben behoefte aan zichtbaarheid, voorspelbaarheid en rechtszekerheid op lange termijn om hun beslissingen over investeringen in het koolstofvrij maken van industriële processen te kunnen nemen. Om het rechtskader voor de bestrijding van koolstoflekkage te versterken, moet daarom een duidelijk traject worden vastgesteld voor de geleidelijke verdere uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM tot producten, sectoren en subsectoren die een risico op koolstoflekkage lopen.

  14. Het CBAM strekt ertoe het risico van koolstoflekkage te voorkomen, maar deze verordening zou producenten uit derde landen ook stimuleren om technologieën toe te passen die efficiënter zijn in de reductie van broeikasgassen, zodat minder uitstoot wordt gegenereerd. Daarom wordt verwacht dat het CBAM op doeltreffende wijze de reductie van broeikasgasemissies in derde landen zal ondersteunen.

  15. Als instrument om koolstoflekkage te voorkomen en broeikasgasemissies te beperken, moet het CBAM ervoor zorgen dat ingevoerde producten worden onderworpen aan een regelgevingssysteem dat koolstofkosten toepast die gelijkwaardig zijn aan de uit hoofde van het EU-ETS opgelegde kosten, met als resultaat een koolstofprijs die gelijkwaardig is voor binnenlandse en ingevoerde producten. Het CBAM is een klimaatmaatregel die de reductie van de wereldwijde broeikasgasemissies moet ondersteunen en het risico van koolstoflekkage moet voorkomen, waarbij de verenigbaarheid met de regelgeving van de Wereldhandelsorganisatie moet worden gewaarborgd.

  16. Deze verordening moet van toepassing zijn op goederen die vanuit derde landen in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, behalve wanneer de productie ervan reeds onderworpen is geweest aan het EU-ETS, via de toepassing daarvan op derde landen of gebieden, of aan een koolstofbeprijzingsmechanisme dat volledig aan het EU-ETS is gekoppeld.

  17. Om ervoor te zorgen dat de overgang naar een koolstofneutrale economie voortdurend gepaard gaat met economische en sociale cohesie, moet bij de toekomstige herziening van deze verordening rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en van eilandstaten die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie, zonder afbreuk te doen aan de integriteit en samenhang van de rechtsorde van de Unie, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

  18. Om het risico van koolstoflekkage in offshore-installaties te voorkomen, moet deze verordening van toepassing zijn op goederen of uit die goederen voortkomende veredelingsproducten in het kader van een regeling actieve veredeling, die naar een kunstmatig eiland, een vaste of drijvende structuur of enige andere structuur op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat worden gebracht, indien dat continentaal plat of die exclusieve economische zone zich in de onmiddellijke nabijheid van het douanegebied van de Unie bevindt. Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om gedetailleerde voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van het CBAM op dergelijke goederen.

  19. De broeikasgasemissies die aan het CBAM onderworpen moeten zijn, moeten overeenstemmen met de broeikasgasemissies die onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vallen, namelijk koolstofdioxide (“CO2”) en, waar van toepassing, stikstofoxide en perfluorkoolwaterstoffen. Het CBAM moet in eerste instantie van toepassing zijn op directe emissies van die broeikasgassen vanaf het tijdstip van de productie van goederen tot de invoer van die goederen in het douanegebied van de Unie, zodat het toepassingsgebied van het EU-ETS wordt weerspiegeld om de samenhang te waarborgen. Het CBAM moet ook van toepassing zijn op indirecte emissies. Die indirecte emissies zijn de emissies die voortvloeien uit de opwekking van elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van de goederen waarop deze verordening van toepassing is. De opname van indirecte emissies zou de milieu-effectiviteit van het CBAM en de ambitie ervan om bij te dragen aan de bestrijding van de klimaatverandering verder verbeteren. Indirecte emissies mogen echter in eerste instantie niet in aanmerking worden genomen voor de goederen waarvoor in de Unie financiële maatregelen gelden die een compensatie vormen voor indirecte emissiekosten als gevolg van in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten. Die goederen staan vermeld in bijlage II bij deze verordening. Toekomstige herzieningen van het EU-ETS in Richtlijn 2003/87/EG en met name herzieningen van de compensatiemaatregelen voor de indirecte kosten moeten naar behoren worden weerspiegeld wat het toepassingsgebied van het CBAM betreft. Tijdens de overgangsperiode moeten gegevens worden verzameld om de methode voor de berekening van indirecte emissies nader te bepalen. In die methode moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van de in bijlage I bij deze verordening vermelde goederen, alsook het land van oorsprong, de opwekkingsbron en de emissiefactoren in verband met die elektriciteit. De specifieke methode moet nader worden bepaald om te komen tot de meest geschikte manier om koolstoflekkage te voorkomen en de milieu-integriteit van het CBAM te waarborgen.

  20. Het EU-ETS en het CBAM delen een gemeenschappelijke doelstelling om met behulp van specifieke emissierechten of certificaten de prijs te bepalen van broeikasgasemissies die in dezelfde sectoren en goederen zijn ingebed. Beide systemen hebben een regelgevend karakter en zijn gerechtvaardigd door de behoefte aan broeikasgasemissies aan banden te leggen, in overeenstemming met de bij Verordening (EU) 2021/1119 in het Unierecht vastgestelde bindende milieudoelstelling om de nettobroeikasgasemissies van de Unie tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990 en met de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de gehele economie te bereiken.

  21. Terwijl het EU-ETS het totale aantal verleende emissierechten (het “plafond”) vaststelt voor de broeikasgasemissies uit activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het systeem vallen, en toestaat dat emissierechten worden verhandeld (het “cap and trade”-systeem), mag het CBAM geen kwantitatieve invoerbeperkingen opleggen, om het handelsverkeer niet te belemmeren. Voorts is het EU-ETS van toepassing op installaties in de Unie, terwijl het CBAM moet gelden voor bepaalde goederen die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd.

  22. In vergelijking met het EU-ETS heeft het CBAM enkele specifieke kenmerken, onder meer met betrekking tot de berekening van de prijs van CBAM-certificaten, de mogelijkheden om CBAM-certificaten te verhandelen, en de geldigheidsduur daarvan. Die kenmerken zijn nodig om de doeltreffendheid van het CBAM als maatregel ter voorkoming van koolstoflekkage op termijn te behouden. Zij zorgen er ook voor dat het beheer van het CBAM-systeem de exploitanten niet te veel nalevingslasten oplegt en niet te veel administratieve middelen vergt, terwijl exploitanten een gelijkwaardig niveau van flexibiliteit wordt geboden als onder het EU-ETS. Het waarborgen van een dergelijk evenwicht is van bijzonder belang voor de betrokken kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s).

  23. Om zijn doeltreffendheid als maatregel tegen koolstoflekkage te behouden, moet het CBAM nauw aansluiten bij de EU-ETS-prijs. Terwijl de prijs van op de EU-ETS-markt gebrachte emissierechten wordt bepaald via veilingen, moet de prijs van CBAM-certificaten redelijkerwijs aansluiten bij de prijs van dergelijke veilingen aan de hand van wekelijks berekende gemiddelden. Dergelijke weekgemiddelden sluiten nauw aan bij de prijsschommelingen van het EU-ETS en bieden importeurs een redelijke marge om te profiteren van de prijsveranderingen van het EU-ETS, terwijl ook wordt gegarandeerd dat het systeem voor de bestuurlijke autoriteiten beheersbaar blijft.

  24. In het EU-ETS bepaalt het plafond het aanbod van emissierechten en geeft dat plafond zekerheid over de maximale uitstoot van broeikasgassen. De koolstofprijs wordt bepaald aan de hand van dat aanbod en de marktvraag. Schaarste is noodzakelijk voor een prijsprikkel. Deze verordening is niet bedoeld om aan importeurs een plafond op te leggen met betrekking tot het aantal CBAM-certificaten waarover zij kunnen beschikken; als importeurs CBAM-certificaten zouden kunnen verhandelen en het gebruik ervan zouden kunnen uitstellen, zouden er situaties kunnen ontstaan waarin de prijs voor die certificaten niet meer zou aansluiten bij de ontwikkeling van de prijs in het EU-ETS. Een dergelijke situatie zou de prikkel voor decarbonisatie verzwakken en zo koolstoflekkage in de hand werken en de overkoepelende klimaatdoelstelling van het CBAM ondergraven. Het zou ook kunnen leiden tot verschillende prijzen voor exploitanten uit verschillende landen. De beperkingen ten aanzien van de mogelijkheden om CBAM-certificaten te verhandelen en het gebruik ervan uit te stellen, worden daarom gerechtvaardigd door de behoefte om te voorkomen dat de doeltreffendheid en de klimaatdoelstelling van het CBAM worden ondergraven, en om te garanderen dat exploitanten uit verschillende landen gelijk worden behandeld. Om importeurs echter hun kosten te laten optimaliseren, moet deze verordening voorzien in een systeem waarbij de autoriteiten een bepaald overschot aan certificaten kunnen terugkopen van importeurs. Dat overschot moet worden vastgesteld op een niveau dat importeurs een redelijke marge biedt om hun kosten tijdens de geldigheidsduur van de certificaten doeltreffend te beheren terwijl het effect van prijsdoorgifte als geheel behouden blijft, waardoor de milieudoelstelling van het CBAM behouden blijft.

  25. Aangezien het CBAM van toepassing zou zijn op de invoer van goederen in het douanegebied van de Unie en niet op installaties, zouden bepaalde aanpassingen en vereenvoudigingen ook in het CBAM toepassing moeten vinden. Eén zulke vereenvoudiging moet de invoering van een eenvoudig en toegankelijk aangiftesysteem zijn waarmee importeurs de totale geverifieerde broeikasgasemissies rapporteren die zijn ingebed in goederen die in een bepaald kalenderjaar zijn ingevoerd. Er moet ook een ander tijdschema dan de nalevingscyclus van het EU-ETS worden toegepast om knelpunten te voorkomen die zouden kunnen voortvloeien uit de verplichtingen voor geaccrediteerde verificateurs uit hoofde van deze verordening en Richtlijn 2003/87/EG.

  26. De lidstaten moeten boetes opleggen voor inbreuken op deze verordening en erop toezien dat die boetes worden gehandhaafd. Meer in het bijzonder moet het boetebedrag voor het verzuim van een toegelaten CBAM-aangever om CBAM-certificaten in te leveren, gelijk zijn aan het bedrag uit hoofde van artikel 16, leden 3 en 4, van Richtlijn 2003/87/EG. Wanneer de goederen echter door een andere persoon dan een toegelaten CBAM-aangever in de Unie zijn binnengebracht zonder aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen, moet het bedrag van die boetes hoger zijn om doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat die persoon niet verplicht is CBAM-certificaten in te leveren. Het opleggen van boetes uit hoofde van deze verordening doet geen afbreuk aan boetes die uit hoofde van Unierecht of nationaal recht kunnen worden opgelegd voor inbreuken op andere relevante verplichtingen, met name die met betrekking tot douanevoorschriften.

  27. Waar het EU-ETS van toepassing is op bepaalde productieprocessen en -activiteiten, moet het CBAM zich richten op de overeenkomstige invoer van goederen. Te dien einde moeten de ingevoerde goederen duidelijk worden geïdentificeerd aan de hand van hun indeling in de gecombineerde nomenclatuur (“GN”) zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad(9) en worden gekoppeld aan de ingebedde emissies.

  28. De onder het CBAM vallende goederen of daaruit voortkomende veredelingsproducten moeten de activiteiten weerspiegelen die onder het EU-ETS vallen, omdat dat systeem gebaseerd is op kwantitatieve en kwalitatieve criteria die verband houden met de milieudoelstelling van Richtlijn 2003/87/EG, en het meest omvattende regelgevingssysteem voor broeikasgasemissies in de Unie vormt.

  29. Door het toepassingsgebied van het CBAM zo te definiëren dat het de activiteiten weerspiegelt die onder het EU-ETS vallen, zou ook worden voorkomen dat ingevoerde producten minder gunstig worden behandeld dan soortgelijke producten van binnenlandse oorsprong.

  30. Het uiteindelijke doel van het CBAM is om tot een brede productdekking te komen, maar het zou verstandig zijn om van start te gaan met slechts een klein aantal sectoren met relatief homogene goederen waarin een risico van koolstoflekkage bestaat. Uniesectoren die geacht worden risico op koolstoflekkage te lopen, zijn vermeld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/708 van de Commissie(10).

  31. De goederen waarop deze verordening betrekking moet hebben, moeten worden geselecteerd na een zorgvuldige analyse van het gewicht dat zij vertegenwoordigen in termen van gecumuleerde broeikasgasemissies en risico op koolstoflekkage in de overeenkomstige EU-ETS-sectoren, waarbij de complexiteit en de administratieve lasten voor de betrokken exploitanten worden beperkt. Bij de selectie moet met name rekening worden gehouden met onder het EU-ETS vallende basismaterialen en basisproducten om te garanderen dat op emissies die zijn ingebed in in de Unie ingevoerde emissie-intensieve producten een koolstofprijs van toepassing is die gelijkwaardig is aan de prijs die wordt toegepast op producten uit de Unie, en om het risico op koolstoflekkage te beperken. De selectie moet worden beperkt aan de hand van de volgende criteria: ten eerste, het sectorgewicht in termen van emissies, namelijk de vraag of de sector een van de grootste geaggregeerde producenten van broeikasgasemissies is; ten tweede, de sectorblootstelling aan een significant risico op koolstoflekkage, zoals omschreven in Richtlijn 2003/87/EG, en ten derde, het noodzakelijke evenwicht tussen een brede productdekking op het gebied van broeikasgasemissies en de beperking van de complexiteit en de administratieve lasten.

  32. Aan de hand van het eerste criterium zouden naar gecumuleerde emissies de volgende industriesectoren in de lijst kunnen worden opgenomen: ijzer en staal, raffinaderijen, cement, aluminium, organische chemische basisproducten, waterstof en meststoffen.

  33. Vanwege hun specifieke eigenschappen moeten sommige sectoren die in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/708 zijn opgenomen, in deze fase evenwel niet in deze verordening worden opgenomen.

  34. Met name organische chemische stoffen dienen buiten het toepassingsgebied van deze verordening te blijven vanwege technische beperkingen die bij de vaststelling van deze verordening een duidelijke omschrijving van de ingebedde emissies van dergelijke ingevoerde goederen onmogelijk maken. Voor die goederen is de toepasselijke benchmark in het EU-ETS een fundamentele parameter, die in de weg staat aan een ondubbelzinnige toewijzing van emissies die zijn ingebed in afzonderlijke ingevoerde goederen. Voor een gerichtere toewijzing aan organische chemische stoffen zijn meer gegevens en analyses nodig.

  35. Soortgelijke technische beperkingen gelden voor raffinageproducten, waarvoor broeikasgasemissies niet ondubbelzinnig kunnen worden toegewezen aan afzonderlijke outputproducten. Tegelijkertijd heeft de relevante benchmark in het EU-ETS niet rechtstreeks betrekking op specifieke producten zoals benzine, diesel of kerosine, maar op de gehele raffinaderij-output.

  36. Aluminiumproducten moeten in het CBAM worden opgenomen, omdat zij het sterkst aan koolstoflekkage zijn blootgesteld. Bovendien staan zij in verschillende industriële toepassingen in directe concurrentie met staalproducten vanwege eigenschappen die sterk lijken op die van staalproducten.

  37. Bij de vaststelling van deze verordening is de invoer van waterstof in de Unie relatief laag. Die situatie zal de komende jaren naar verwachting echter aanzienlijk veranderen, aangezien het “Fit for 55”-pakket van de Unie het gebruik van hernieuwbare waterstof bevordert. Voor het koolstofvrij maken van de industrie als geheel zal de vraag naar hernieuwbare waterstof toenemen en bijgevolg leiden tot niet-geïntegreerde productieprocessen in downstreamproducten waarin waterstof een precursor is. De opname van waterstof in het toepassingsgebied van het CBAM is het passende middel om het koolstofvrij maken van waterstof verder te bevorderen.

  38. Evenzo moeten bepaalde producten onder het toepassingsgebied van het CBAM worden gebracht ondanks hun lage niveau van ingebedde emissies die vrijkomen tijdens het productieproces, omdat de uitsluiting ervan de kans zou vergroten dat de opname van staalproducten in het CBAM wordt ontweken door een wijziging van het handelspatroon naar downstreamproducten.

  39. Omgekeerd mag deze verordening in eerste instantie niet van toepassing zijn op bepaalde producten waar bij de productie geen betekenisvolle emissies ontstaan, zoals schroot, sommige ferrolegeringen en bepaalde meststoffen.

  40. De invoer van elektriciteit moet onder het toepassingsgebied van deze verordening worden gebracht, omdat die sector verantwoordelijk is voor 30 % van de totale broeikasgasemissies in de Unie. De verhoogde klimaatambitie van de Unie zou het verschil in koolstofkosten tussen de elektriciteitsproductie in de Unie en in derde landen doen toenemen. Dat verschil, in combinatie met de voortschrijdende koppeling van het elektriciteitsnet van de Unie aan dat van haar buren, zou het risico van koolstoflekkage vergroten door een toename van de invoer van elektriciteit, waarvan een aanzienlijk deel afkomstig is van kolengestookte elektriciteitscentrales.

  41. Om buitensporige administratieve lasten voor zowel bevoegde nationale instanties als importeurs te voorkomen, is het passend om te bepalen in welke beperkte gevallen de verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet van toepassing moeten zijn. Die de-minimisbepaling doet echter geen afbreuk aan een verdere toepassing van de Unie- of nationaalrechtelijke bepalingen die nodig zijn om de naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening en, in het bijzonder, van de douanewetgeving, met inbegrip van fraudepreventie, te waarborgen.

  42. Om te vermijden dat importeurs van onder deze verordening vallende goederen hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening moeten vervullen op het tijdstip van invoer, moeten specifieke administratieve maatregelen worden toegepast om te garanderen dat die verplichtingen later worden vervuld. Daarom zullen importeurs alleen onder deze verordening vallende goederen mogen invoeren nadat zij daarvoor een toelating hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten.

  43. De douaneautoriteiten mogen niet toestaan dat goederen door een andere persoon dan een toegelaten CBAM-aangever worden ingevoerd. Overeenkomstig de artikelen 46 en 48 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad(11) mogen de douaneautoriteiten de goederen controleren, onder meer met betrekking tot de identificatie van de toegelaten CBAM-aangever, de achtcijferige GN-code, de hoeveelheid en het land van oorsprong van de ingevoerde goederen, de datum van aangifte en de douaneregeling. De Commissie moet de risico’s in verband met het CBAM opnemen in de vaststelling van de gemeenschappelijke risicocriteria en -normen op grond van artikel 50 van Verordening (EU) nr. 952/2013.

  44. Gedurende een overgangsperiode moeten de douaneautoriteiten aangevers bij de douane in kennis stellen van de verplichting om informatie te melden, teneinde bij te dragen tot de informatieverzameling en tot bewustwording van de noodzaak dat in voorkomend geval de status van toegelaten CBAM-aangevers moet worden aangevraagd. Dergelijke informatie moet door de douaneautoriteiten op passende wijze worden meegedeeld om ervoor te zorgen dat aangevers bij de douane van die verplichting op de hoogte zijn.

  45. Het CBAM moet gebaseerd zijn op een aangiftesysteem waarin een toegelaten CBAM-aangever, die meer dan één importeur kan vertegenwoordigen, jaarlijks een aangifte indient van de ingebedde emissies in de in het douanegebied van de Unie ingevoerde goederen en het aantal CBAM-certificaten inlevert dat overeenstemt met de aangegeven emissies. De eerste CBAM-aangifte, voor het kalenderjaar 2026, moet uiterlijk op 31 mei 2027 worden ingediend.

  46. Een toegelaten CBAM-aangever moet een vermindering van het aantal in te leveren CBAM-certificaten kunnen aanvragen die overeenstemt met de koolstofprijs die in het land van oorsprong reeds daadwerkelijk voor de aangegeven ingebedde emissies is betaald.

  47. De aangegeven ingebedde emissies moeten worden geverifieerd door een persoon die is geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie die is aangewezen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(12), of op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie(13).

  48. Het CBAM moet exploitanten van productie-installaties in derde landen in staat stellen om zich in het CBAM-register te registreren en hun geverifieerde ingebedde emissies uit de productie van goederen ter beschikking te stellen van toegelaten CBAM-aangevers. Een exploitant moet ervoor kunnen kiezen dat zijn naam, adres en contactgegevens in het CBAM-register niet openbaar toegankelijk worden gemaakt.

  49. CBAM-certificaten zouden verschillen van EU-ETS-emissierechten, waarvan de dagelijkse veiling een essentieel kenmerk is. De behoefte om een duidelijke prijs vast te stellen voor CBAM-certificaten, zou een dagelijkse publicatie bijzonder omslachtig en verwarrend maken voor de exploitanten, omdat dagelijkse prijzen bij de publicatie ervan al achterhaald kunnen zijn. Daarom zou een wekelijkse publicatie van CBAM-prijzen nauwkeuriger aansluiten bij de prijsontwikkeling van op de markt gebrachte EU-ETS-emissierechten en dezelfde klimaatdoelstelling nastreven. De berekening van de prijs van CBAM-certificaten moet derhalve worden vastgesteld op basis van een langere termijn, namelijk op weekbasis, dan de in het EU-ETS bepaalde termijn, namelijk op dagbasis. De Commissie moet worden opgedragen die gemiddelde prijs te berekenen en te publiceren.

  50. Om toegelaten CBAM-aangevers de mogelijkheid te geven hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening flexibel na te leven en te profiteren van de schommelingen in de prijs van EU-ETS-emissierechten, moeten CBAM-certificaten geldig zijn voor een beperkte periode vanaf de datum van hun aankoop. Toegelaten CBAM-aangevers moeten een deel van de te veel door hen aangekochte certificaten kunnen terugverkopen. Met het oog op de inlevering van CBAM-certificaten moeten toegelaten CBAM-aangevers het vereiste aantal certificaten in de loop van het jaar verzamelen, overeenkomstig de aan elk kwartaaleinde vastgestelde drempels.

  51. De fysieke kenmerken van elektriciteit als product rechtvaardigen een enigszins andere architectuur binnen het CBAM dan voor andere goederen. Onder duidelijk gespecificeerde voorwaarden moeten standaardwaarden worden gebruikt en toegelaten CBAM-aangevers moeten kunnen vragen dat hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening op basis van werkelijke emissies worden berekend. De elektriciteitshandel verschilt van de handel in andere goederen, met name omdat elektriciteit wordt verhandeld via onderling verbonden elektriciteitsnetten, op elektriciteitsbeurzen en volgens specifieke handelsmethoden. Marktkoppeling is een sterk gereglementeerde methode van elektriciteitshandel die het mogelijk maakt om biedingen en aanbiedingen in de hele Unie te bundelen.

  52. Om het risico van ontwijking te voorkomen en de traceerbaarheid van werkelijke CO2-emissies afkomstig uit de invoer van elektriciteit en het gebruik daarvan in goederen te verbeteren, mag de berekening van werkelijke emissies uitsluitend worden toegestaan onder bepaalde strikte voorwaarden. Meer bepaald moet worden aangetoond dat de toegewezen interconnectiecapaciteit definitief genomineerd is en dat er een rechtstreekse contractuele relatie bestaat tussen de koper en de producent van de hernieuwbare stroom of tussen de koper en de producent van de stroom met lagere emissies dan de standaardwaarden.

  53. Om het risico van koolstoflekkage te verminderen, moet de Commissie actie ondernemen om ontwijkingspraktijken aan te pakken. De Commissie moet het risico van een dergelijke ontwijking evalueren in alle sectoren waarop deze verordening van toepassing is.

  54. De partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap dat is gesloten bij Besluit 2006/500/EG van de Raad(14) en de partijen bij associatieovereenkomsten, met inbegrip van diepe en brede vrijhandelsruimtes, hebben zich vastgelegd op decarbonisatieprocessen die uiteindelijk moeten leiden tot de vaststelling van met het EU-ETS vergelijkbare of gelijkwaardige koolstofbeprijzingsmechanismen of tot hun deelname aan het EU-ETS.

  55. Voor derde landen is integratie in de elektriciteitsmarkt van de Unie een belangrijke factor om hun overgang naar energiesystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energiebronnen te versnellen. Marktkoppeling voor elektriciteit, zoals bepaald in Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie(15), stelt derde landen in staat om elektriciteit van hernieuwbare energiebronnen beter in de elektriciteitsmarkt te integreren, dergelijke elektriciteit op efficiënte wijze uit te wisselen binnen een groter gebied waarbij vraag en aanbod in evenwicht worden gebracht met de grotere Uniemarkt, en de CO2-emissie-intensiteit van hun elektriciteitsopwekking te beperken. De integratie van derde landen in de elektriciteitsmarkt van de Unie draagt ook bij aan de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening in die landen en de aangrenzende lidstaten.

  56. Zodra de elektriciteitsmarkten van derde landen via marktkoppeling nauw geïntegreerd zijn in die van de Unie, moeten er technische oplossingen worden gevonden voor de toepassing van het CBAM op de elektriciteit die wordt uitgevoerd vanuit die landen naar het douanegebied van de Unie. Als er geen technische oplossingen kunnen worden gevonden, moeten derde landen waarvan de markten aan die van de Unie gekoppeld zijn, een in de tijd beperkte vrijstelling van het CBAM krijgen tot 2030 uitsluitend voor de export van elektriciteit, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Die derde landen moeten evenwel een routekaart opstellen en zich ertoe verbinden een koolstofbeprijzingsmechanisme te implementeren dat voorziet in een prijs die gelijkwaardig is aan die van het EU-ETS, alsook koolstofneutraliteit te bereiken uiterlijk in 2050 en zich te conformeren aan de Uniewetgeving op het gebied van milieu, klimaat, mededinging en energie. Die vrijstelling moet te allen tijde worden ingetrokken als er redenen zijn om aan te nemen dat het land in kwestie zijn verbintenissen niet naleeft of als het in 2030 nog geen emissiehandelssysteem heeft vastgesteld dat gelijkwaardig is aan het EU-ETS.

  57. Gedurende een beperkte periode moeten er overgangsbepalingen gelden. Daartoe moet het CBAM zonder financiële correctie van toepassing zijn, met als doel een vlotte uitrol ervan te vergemakkelijken en het risico op verstorende effecten op de handel te beperken. Importeurs moeten op kwartaalbasis de ingebedde emissies in goederen die tijdens het voorgaande kwartaal van het kalenderjaar zijn ingevoerd, rapporteren, met vermelding van directe en indirecte emissies en eventuele daadwerkelijk in het buitenland betaalde koolstofprijzen. Het laatste CBAM-verslag, te weten het verslag voor het laatste kwartaal van 2025, moet uiterlijk op 31 januari 2026 worden ingediend.

  58. Om een goede werking van het CBAM te faciliteren en te verzekeren, moet de Commissie de bevoegde autoriteiten bij de vervulling van hun functies en taken in het kader van deze verordening ondersteunen. De Commissie moet de uitwisseling van beste praktijken coördineren en ondersteunen en er richtsnoeren voor uitvaardigen.

  59. Om deze verordening op kostenefficiënte wijze toe te passen moet de Commissie het CBAM-register met gegevens over de toegelaten CBAM-aangevers, exploitanten en installaties in derde landen beheren.

  60. Er moet een gemeenschappelijk centraal platform voor de verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten worden opgericht. Met het oog op het toezicht op de transacties op het gemeenschappelijke centrale platform moet de Commissie de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten onderling alsmede tussen deze autoriteiten en de Commissie vergemakkelijken. Voorts moet een snelle informatiestroom tussen het gemeenschappelijke centrale platform en het CBAM-register tot stand worden gebracht.

  61. Om bij te dragen aan de doeltreffende toepassing van deze verordening moet de Commissie risicogebaseerde controles uitvoeren en de inhoud van CBAM-aangiften dienovereenkomstig beoordelen.

  62. Om een uniforme toepassing van deze verordening verder mogelijk te maken moet de Commissie, als voorlopige input, haar eigen berekeningen met betrekking tot de in te leveren CBAM-certificaten, op basis van haar beoordeling van de CBAM-aangiften, aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking stellen. Dergelijke voorlopige input moet uitsluitend ter indicatie worden verstrekt en moet geen afbreuk doen aan de definitieve berekening door de bevoegde autoriteit. Met name moet er geen recht van beroep of andere corrigerende maatregel mogelijk zijn tegen dergelijke voorlopige input van de Commissie.

  63. De lidstaten moeten ook individuele CBAM-aangiften voor handhavingsdoeleinden kunnen beoordelen. De conclusies van de beoordelingen van individuele CBAM-aangiften moeten met de Commissie worden gedeeld. Die conclusies moeten ook aan andere bevoegde autoriteiten beschikbaar worden gesteld via het CBAM-register.

  64. De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de correcte vaststelling en inning van de inkomsten die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening.

  65. De Commissie moet de toepassing van deze verordening regelmatig evalueren en verslag uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad. Die verslagen moeten met name gericht zijn op mogelijkheden om klimaatmaatregelen te versterken teneinde uiterlijk in 2050 de doelstelling van een klimaatneutrale Unie te verwezenlijken. Als onderdeel van die verslaglegging moet de Commissie de informatie verzamelen die noodzakelijk is om het toepassingsgebied van deze verordening zo snel mogelijk verder uit te breiden tot ingebedde indirecte emissies in de in bijlage II vermelde alsmede over andere goederen en diensten die risico op koolstoflekkage zouden kunnen lopen, zoals downstreamproducten, en om methoden te ontwikkelen voor de berekening van ingebedde emissies op basis van de milieuvoetafdrukmethoden, zoals uiteengezet in Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie(16). Die verslagen moeten ook een beoordeling bevatten van het effect van het CBAM op koolstoflekkage, onder meer in verband met uitvoer, en van de economische, sociale en territoriale gevolgen ervan in de hele Unie, tevens rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en van eilandstaten die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie.

  66. Ontwijking van deze verordening moet door de Commissie worden gemonitord en aangepakt, ook wanneer exploitanten lichte veranderingen kunnen aanbrengen aan hun goederen zonder de essentiële kenmerken ervan te wijzigen of zendingen kunstmatig kunnen splitsen om de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te omzeilen. Er moet ook toezicht worden gehouden op situaties waarin goederen voorafgaand aan hun invoer op de markt van de Unie naar een derde land of regio zouden worden verzonden om de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te omzeilen, of waarin exploitanten in derde landen hun minder broeikasgasemissie-intensieve producten naar de Unie zouden uitvoeren en hun meer broeikasgasemissie-intensieve producten voor andere markten zouden behouden, alsook op de reorganisatie door exporteurs of producenten van hun verkoop- en productiekanalen en -patronen, of andere vormen van dubbele productie en dubbele verkoop, teneinde de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te omzeilen.

  67. Met volledige inachtneming van de beginselen van deze verordening moet de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening tot doel hebben om tegen 2030 alle sectoren die onder Richtlijn 2003/87/EG vallen, erin op te nemen. Daarom moet de Commissie bij het toetsen en evalueren van de toepassing van deze verordening blijven verwijzen naar dit tijdschema en prioriteit geven aan de opname in het toepassingsgebied van deze verordening van broeikasgasemissies die zijn ingebed in goederen die het meest aan koolstoflekkage zijn blootgesteld en die het meest koolstofintensief zijn, alsook in downstreamproducten die een aanzienlijk deel van ten minste één van de goederen binnen het toepassingsgebied van deze verordening bevatten. Indien de Commissie tegen 2030 geen wetgevingsvoorstel voor een dergelijke uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening indient, moet zij het Europees Parlement en de Raad in kennis stellen van de redenen en de nodige stappen ondernemen ter verwezenlijking van de doelstelling om zo spoedig mogelijk alle onder Richtlijn 2003/87/EG vallende sectoren erin op te nemen.

  68. De Commissie moet ook twee jaar na afloop van de overgangsperiode, en vervolgens om de twee jaar, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de toepassing van deze verordening. Het tijdschema voor de indiening van de verslagen moet overeenstemmen met de tijdschema’s voor de werking van de koolstofmarkt overeenkomstig artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG. De verslagen moeten een beoordeling van de effecten van het CBAM bevatten.

  69. Om snel en doeltreffend te kunnen reageren op niet te voorziene, uitzonderlijke en niet-uitgelokte omstandigheden die verwoestende gevolgen hebben voor de economische en industriële infrastructuur van een of meerdere derde landen die aan het CBAM zijn onderworpen, moet de Commissie, indien passend, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel indienen tot wijziging van deze verordening. Een dergelijk wetgevingsvoorstel moet de maatregelen bevatten die het meest passend zijn in het licht van de omstandigheden waarmee het derde land of de derde landen te maken hebben, en tegelijkertijd moeten de doelstellingen van deze verordening worden gehandhaafd. Die maatregelen moeten van beperkte duur zijn.

  70. Een dialoog met derde landen moet worden voortgezet en er moet ruimte zijn voor samenwerking en oplossingen als mogelijke aanzet tot de specifieke keuzes die moeten worden gemaakt met betrekking tot de details van het CBAM gedurende de uitvoering ervan, met name tijdens de overgangsperiode.

  71. De Commissie moet trachten om op evenwichtige wijze en in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie samen met de derde landen waarvan de handel met de Unie door deze verordening wordt beïnvloed, te bekijken welke mogelijkheid er is voor dialoog en samenwerking bij de uitvoering van specifieke elementen van het CBAM. De Commissie moet ook nagaan of er overeenkomsten kunnen worden gesloten waarin rekening wordt gehouden met het koolstofbeprijzingsmechanisme van derde landen. De Unie moet daartoe technische bijstand verlenen aan de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen, zoals aangemerkt door de Verenigde Naties.

  72. De uitvoering van het CBAM noopt tot het ontwikkelen van bilaterale, multilaterale en internationale samenwerking met derde landen. Daartoe moet een forum van landen met koolstofbeprijzingsinstrumenten of andere vergelijkbare instrumenten (“klimaatclub”) worden opgericht, zodat alle landen tot een ambitieus klimaatbeleid komen en de weg wordt geëffend voor een wereldwijd kader inzake koolstofbeprijzing. De klimaatclub moet open, vrijwillig en niet-exclusief zijn en met name streven naar hoge klimaatambities die stroken met de Overeenkomst van Parijs. De klimaatclub zou onder auspiciën van een multilaterale internationale organisatie kunnen functioneren en moet de vergelijking en, in voorkomend geval, de coördinatie van relevante maatregelen met een effect op de emissiereductie vergemakkelijken. De klimaatclub moet ook de vergelijkbaarheid van relevante klimaatmaatregelen ondersteunen door de kwaliteit van de klimaatmonitoring, -rapportage en -verificatie onder haar leden te waarborgen en een kader te creëren voor betrekkingen en transparantie tussen de Unie en haar handelspartners.

  73. Om de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs in derde landen verder te ondersteunen, is het wenselijk dat de Unie via de begroting van de Unie financiële steun blijft verlenen voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering in de minst ontwikkelde landen, onder meer bij hun inspanningen om hun maakindustrie koolstofvrij te maken en te transformeren. Die steun van de Unie moet ook bijdragen aan het faciliteren van de aanpassing van de betrokken bedrijfstakken aan de nieuwe regelgevingsvereisten die voortvloeien uit deze verordening.

  74. Aangezien het CBAM tot schonere productie wil aanmoedigen, is de Unie vastbesloten om derde lage- en middeninkomenslanden te helpen hun maakindustrie koolstofvrij te maken als onderdeel van de externe dimensie van de Europese Green Deal en in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs. De Unie moet die landen, met name de minst ontwikkelde landen, via de begroting van de Unie blijven steunen om ervoor te helpen zorgen dat zij zich kunnen aanpassen aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. De Unie moet ook steun blijven verlenen aan de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering in die landen, onder meer bij hun inspanningen om hun maakindustrie koolstofvrij te maken en te transformeren, binnen het plafond van het meerjarig financieel kader en de financiële steun van de Unie aan internationale klimaatfinanciering. De Unie werkt aan de invoering van nieuwe eigen middelen op basis van de inkomsten uit de verkoop van CBAM-certificaten.

  75. Deze verordening doet geen afbreuk aan de Verordeningen (EU) 2016/679(17) en (EU) 2018/1725(18) van het Europees Parlement en de Raad.

  76. Omwille van de efficiëntie moet Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad(19) van overeenkomstige toepassing zijn op deze verordening.

  77. Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen teneinde:

    • deze verordening aan te vullen door voorschriften en procedures vast te stellen voor derde landen of gebieden die zijn geschrapt van de lijst in punt 2 van bijlage III, teneinde de toepassing van deze verordening op die landen of gebieden met betrekking tot elektriciteit te waarborgen;

    • de lijst van derde landen en gebieden in punt 1 of punt 2 van bijlage III te wijzigen, hetzij door die landen of gebieden aan die lijst toe te voegen, teneinde derde landen of gebieden die volledig zijn geïntegreerd in of verbonden met het EU-ETS in geval van toekomstige overeenkomsten uit te sluiten van het CBAM, hetzij door derde landen of gebieden van die lijst te schrappen, waardoor zij aan het CBAM worden onderworpen, wanneer zij de EU-ETS-prijs niet daadwerkelijk aanrekenen op goederen die naar de Unie worden uitgevoerd;

    • deze verordening aan te vullen door de voorwaarden te specificeren voor het verlenen van accreditatie aan verificateurs, de controle van en het toezicht op geaccrediteerde verificateurs, de intrekking van accreditatie en de wederzijdse erkenning en collegiale toetsing van de accreditatie-instanties;

    • deze verordening aan te vullen door de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten nader te bepalen, en

    • de lijst van goederen in bijlage I te wijzigen door in bepaalde omstandigheden enigszins gewijzigde goederen toe te voegen om de maatregelen tegen ontwijkingspraktijken aan te scherpen.

    Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(20). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

  78. Dergelijke raadplegingen moeten op transparante wijze plaatsvinden en kunnen voorafgaande raadplegingen van belanghebbenden omvatten, zoals bevoegde instanties, het bedrijfsleven (met inbegrip van kmo’s), sociale partners zoals vakbonden, maatschappelijke organisaties en milieuorganisaties.

  79. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(21).

  80. De financiële belangen van de Unie moeten worden beschermd met evenredige maatregelen in de hele uitgavencyclus, onder meer op het gebied van preventie, opsporing en onderzoek van onregelmatigheden, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en, voor zover van toepassing, met administratieve en financiële boetes. Het CBAM moet derhalve berusten op passende en doeltreffende mechanismen om derving van inkomsten te voorkomen.

  81. Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het risico op koolstoflekkage voorkomen en daarmee de mondiale koolstofemissies te reduceren, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

  82. Om ervoor te zorgen dat gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze verordening tijdig kunnen worden vastgesteld, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp

1.

Bij deze verordening wordt een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (carbon border adjustment mechanism — “CBAM”) ingesteld om broeikasgasemissies aan te pakken die in de in bijlage I vermelde goederen zijn ingebed, bij de invoer van die goederen in het douanegebied van de Unie, teneinde het risico van koolstoflekkage te voorkomen, waarbij de mondiale koolstofemissies worden verminderd en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs worden ondersteund, ook door stimulansen te scheppen voor de reductie van emissies door exploitanten in derde landen.

2.

Het CBAM vormt een aanvulling op het uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten in de Unie (emissions trading system — “EU-ETS”) door gelijkwaardige regels toe te passen op de invoer van de in artikel 2 van deze verordening bedoelde goederen in het douanegebied van de Unie.

3.

Het CBAM zal de uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG ingestelde mechanismen ter voorkoming van het risico van koolstoflekkage vervangen door de mate te weerspiegelen waarin EU-ETS-emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van die richtlijn gratis worden toegewezen.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1.

Deze verordening is van toepassing op de in bijlage I vermelde goederen van oorsprong uit een derde land, wanneer die goederen, of uit die goederen voortkomende veredelingsproducten in het kader van de in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 bedoelde regeling actieve veredeling, in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd.

2.

Deze verordening is ook van toepassing op de in bijlage I bij deze verordening vermelde goederen van oorsprong uit een derde land, wanneer die goederen, of uit die goederen voortkomende veredelingsproducten in het kader van de in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 bedoelde regeling actieve veredeling, naar een kunstmatig eiland, een vaste of drijvende structuur of iedere andere structuur op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat in de onmiddellijke nabijheid van het douanegebied van de Unie worden gebracht.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde voorwaarden voor de toepassing van het CBAM op die goederen, met name wat betreft de begrippen die hetzelfde betekenen als invoer in het douanegebied van de Unie en in het vrije verkeer brengen, wat betreft de procedures met betrekking tot het indienen van de CBAM-aangifte voor die goederen en de door de douaneautoriteiten uit te voeren controles. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

3.

In afwijking van de leden 1 en 2 is deze verordening niet van toepassing op:

  1. in bijlage I bij deze verordening vermelde goederen die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, mits de intrinsieke waarde van die goederen per zending niet hoger is dan de waarde die is vastgesteld voor goederen met een te verwaarlozen waarde als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad(22);

  2. goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers komende uit een derde land, mits de intrinsieke waarde van die goederen niet hoger is dan de waarde die is vastgesteld voor goederen met een te verwaarlozen waarde als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

  3. goederen die in het kader van militaire activiteiten worden vervoerd of gebruikt overeenkomstig artikel 1, punt 49, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie(23).

4.

In afwijking van de leden 1 en 2 is deze verordening niet van toepassing op goederen van oorsprong uit de in punt 1 van bijlage III opgenomen derde landen en gebieden.

5.

Ingevoerde goederen worden beschouwd als van oorsprong uit derde landen overeenkomstig de regels inzake niet-preferentiële oorsprong zoals bedoeld in artikel 59 van Verordening (EU) nr. 952/2013.

6.

Derde landen en gebieden worden opgenomen in punt 1 van bijlage III, indien ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

  1. het EU-ETS is van toepassing op dat derde land of gebied, of er is een overeenkomst gesloten tussen dat derde land of gebied en de Unie waarbij het EU-ETS en het emissiehandelssysteem van dat derde land of gebied volledig aan elkaar gekoppeld zijn;

  2. de koolstofprijs die moet worden betaald in het land waaruit de goederen van oorsprong zijn, is daadwerkelijk op de in die goederen ingebedde broeikasgasemissies in rekening gebracht, zonder dat er andere dan de overeenkomstig het EU-ETS toegepaste teruggaven zijn gegeven.

7.

Als een derde land of gebied een elektriciteitsmarkt heeft die door marktkoppeling met de interne elektriciteitsmarkt van de Unie geïntegreerd is, en er geen technische oplossing is voor de toepassing van het CBAM op de invoer van elektriciteit in het douanegebied van de Unie uit dat derde land of gebied, wordt de invoer van elektriciteit uit dat land of gebied vrijgesteld van de toepassing van het CBAM, mits de Commissie overeenkomstig lid 8 heeft vastgesteld dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

  1. het derde land of gebied heeft met de Unie een overeenkomst gesloten die de verplichting bevat om het Unierecht op het gebied van elektriciteit toe te passen, met inbegrip van de wetgeving inzake de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en andere regels op het gebied van energie, milieu en mededinging;

  2. de binnenlandse wetgeving in dat derde land of gebied geeft uitvoering aan de belangrijkste bepalingen van de wetgeving van de Unie inzake de elektriciteitsmarkt, met inbegrip van de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en de marktkoppeling van elektriciteitsmarkten;

  3. het derde land of gebied heeft bij de Commissie een routekaart ingediend met een tijdschema voor de vaststelling van maatregelen voor de uitvoering van de in de punten d) en e) bepaalde voorwaarden;

  4. het derde land of gebied heeft zich verbonden tot klimaatneutraliteit in 2050, heeft in voorkomend geval dienovereenkomstig officieel een langetermijnstrategie voor een op lage uitstoot van broeikasgassen gebaseerde ontwikkeling tegen het midden van de eeuw geformuleerd die op die doelstelling is afgestemd, en die strategie meegedeeld aan het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change UNFCCC), en heeft die verbintenis in zijn binnenlandse wetgeving ten uitvoer gelegd;

  5. het derde land of gebied heeft, bij de implementatie van de in punt c) bedoelde routekaart, de gestelde termijnen nageleefd en aanzienlijke vooruitgang laten zien bij de afstemming van de binnenlandse wetgeving op de Uniewetgeving op het gebied van klimaatactie op basis van die routekaart, inclusief richting koolstofbeprijzing op een niveau dat gelijkwaardig is aan dat van de Unie, met name wat de opwekking van elektriciteit betreft; de implementatie van een emissiehandelssysteem voor elektriciteit met een prijs die gelijkwaardig is aan die van het EU-ETS, dient uiterlijk op 1 januari 2030 voltooid te zijn;

  6. het derde land of gebied heeft een doeltreffend systeem opgezet om indirecte invoer van elektriciteit in de Unie uit andere derde landen of gebieden die niet aan de in de punten a) tot en met e) bepaalde voorwaarden voldoen, te voorkomen.

8.

Een derde land of gebied dat aan alle in lid 7 bepaalde voorwaarden voldoet, wordt opgenomen in punt 2 van bijlage III en dient twee verslagen in over de voldoening aan die voorwaarden, het eerste uiterlijk op 1 juli 2025 en het tweede uiterlijk op 31 december 2027. Uiterlijk op 31 december 2025 en uiterlijk op 1 juli 2028 evalueert de Commissie, met name op basis van de in lid 7, punt c), bedoelde routekaart en de van het derde land of gebied ontvangen verslagen, of dat derde land of gebied nog steeds aan de in lid 7 bepaalde voorwaarden voldoet.

9.

Een in punt 2 van bijlage III opgenomen derde land of gebied wordt van die lijst geschrapt wanneer zich een of meer van de onderstaande omstandigheden voordoen:

  1. de Commissie heeft redenen om aan te nemen dat dat derde land of gebied onvoldoende vooruitgang heeft geboekt om aan een van de in lid 7 bepaalde voorwaarden te voldoen, of dat derde land of gebied heeft maatregelen genomen die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de klimaat- en milieuwetgeving van de Unie;

  2. dat derde land of gebied heeft stappen gezet die in strijd zijn met zijn decarbonisatiedoelstellingen, zoals het verlenen van overheidssteun voor de totstandbrenging van nieuwe opwekkingscapaciteit met een uitstoot van meer dan 550 gram koolstofdioxide (CO2) uit fossiele brandstoffen per kilowattuur elektriciteit;

  3. de Commissie heeft bewijs dat door de gestegen uitvoer van elektriciteit naar de Unie de emissies van de in dat derde land of gebied geproduceerde elektriciteit per kilowattuur met tenminste 5 % zijn toegenomen ten opzichte van 1 januari 2026.

10.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met voorschriften en procedures voor derde landen of gebieden die van de lijst in punt 2 van bijlage III zijn geschrapt, teneinde de toepassing van deze verordening op die landen of gebieden met betrekking tot elektriciteit te verzekeren. Als in dergelijke gevallen marktkoppeling onverenigbaar blijft met de toepassing van deze verordening, kan de Commissie beslissen om die derde landen of gebieden van marktkoppeling met de Unie uit te sluiten, en vereisen dat capaciteit expliciet wordt toegewezen aan de grens tussen de Unie en die derde landen of gebieden, zodat het CBAM toepassing kan vinden.

11.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijsten van derde landen of gebieden die in punt 1 of punt 2 van bijlage III zijn opgenomen, te wijzigen door een derde land of gebied toe te voegen of te schrappen, al naargelang aan de in lid 6, 7 of 9 van dit artikel bepaalde voorwaarden is voldaan met betrekking tot dat derde land of gebied.

12.

De Unie kan overeenkomsten met derde landen of gebieden sluiten om voor de toepassing van artikel 9 rekening te houden met koolstofbeprijzingsmechanismen in dergelijke landen of gebieden.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “goederen”: de in bijlage I vermelde goederen;

  2. “broeikasgassen”: broeikasgassen zoals gespecificeerd in bijlage I met betrekking tot elk van de in die bijlage vermelde goederen;

  3. “emissies”: de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door de productie van goederen;

  4. “invoer”: het in het vrije verkeer brengen zoals bepaald in artikel 201 van Verordening (EU) nr. 952/2013;

  5. “EU-ETS”: het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten in de Unie met betrekking tot de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten, met uitzondering van luchtvaartactiviteiten;

  6. “douanegebied van de Unie”: het grondgebied als omschreven in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013;

  7. “derde land”: een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie;

  8. “continentaal plat”: een continentaal plat zoals omschreven in artikel 76 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee;

  9. “exclusieve economische zone”: een exclusieve economische zone zoals omschreven in artikel 55 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, die door een lidstaat op grond van dat verdrag als een exclusieve economische zone heeft verkondigd;

  10. “intrinsieke waarde”: de intrinsieke waarde voor handelsgoederen zoals omschreven in artikel 1, punt 48, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446;

  11. “marktkoppeling”: de toewijzing van transmissiecapaciteit via een Uniesysteem dat simultaan orders matcht en zoneoverschrijdende capaciteit toewijst zoals bepaald in Verordening (EU) 2015/1222;

  12. “expliciete capaciteitstoewijzing”: de toewijzing van grensoverschrijdende transmissiecapaciteit los van de elektriciteitshandel;

  13. “bevoegde autoriteit”: de door iedere lidstaat overeenkomstig artikel 11 aangewezen autoriteit;

  14. “douaneautoriteiten”: de douanediensten van de lidstaten zoals omschreven in artikel 5, punt 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013;

  15. “importeur”: de persoon die in eigen naam en voor eigen rekening een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van goederen indient, of indien de douaneaangifte overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 952/2013 door een indirecte douanevertegenwoordiger wordt ingediend, de persoon namens wie een dergelijke aangifte wordt ingediend;

  16. “aangever bij de douane”: een aangever zoals omschreven in artikel 5, punt 15, van Verordening (EU) nr. 952/2013 die in eigen naam een douaneaangifte voor het vrije verkeer van goederen indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend;

  17. “toegelaten CBAM-aangever”: een persoon die overeenkomstig artikel 17 een toelating heeft gekregen van een bevoegde autoriteit;

  18. “persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar uit hoofde van Unierecht of nationaal recht wel als handelingsbekwaam is erkend;

  19. “in een lidstaat gevestigd”:

    1. in geval van een natuurlijke persoon, elke persoon van wie de woonplaats zich in een lidstaat bevindt;

    2. in geval van een rechtspersoon of een vereniging van personen, elke persoon van wie de statutaire zetel, het hoofdkantoor of de permanente bedrijfsvestiging zich in een lidstaat bevindt;

  20. “registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer (EORI-nummer)”: het door de douaneautoriteiten toegekende nummer wanneer de registratie voor douanedoeleinden is uitgevoerd overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 952/2013;

  21. “directe emissies”: emissies uit de productieprocessen van goederen, met inbegrip van emissies uit de productie van verwarming en koeling die tijdens de productieprocessen worden verbruikt, ongeacht de plaats waar de verwarming of koeling wordt geproduceerd;

  22. “ingebedde emissies”: directe emissies die vrijkomen tijdens de productie van goederen en indirecte emissies uit de productie van elektriciteit die tijdens de productieprocessen wordt verbruikt, berekend overeenkomstig de in bijlage IV vastgestelde methoden en nader gespecificeerd in de op grond van artikel 7, lid 7, vastgestelde uitvoeringshandelingen;

  23. “ton CO2-equivalent”: één metrische ton CO2, of een hoeveelheid van een in bijlage I vermeld broeikasgas met een equivalent aardopwarmingsvermogen;

  24. “CBAM-certificaat”: een certificaat in elektronische vorm dat overeenstemt met één ton CO2-equivalent aan ingebedde emissies in goederen;

  25. “inlevering”: verrekening van CBAM-certificaten met de aangegeven ingebedde emissies in ingevoerde goederen of met de ingebedde emissies in ingevoerde goederen die hadden moeten worden aangegeven;

  26. “productieprocessen”: de chemische en fysische processen die plaatsvinden om goederen in een installatie te produceren;

  27. “standaardwaarde”: een waarde die wordt berekend of afgeleid uit secundaire gegevens en die de ingebedde emissies in goederen vertegenwoordigt;

  28. “werkelijke emissies”: de op basis van primaire gegevens berekende emissies uit de productieprocessen van goederen en uit de productie van elektriciteit die tijdens die processen wordt verbruikt zoals bepaald overeenkomstig de in bijlage IV vastgestelde methoden;

  29. “koolstofprijs”: het geldbedrag dat in een derde land uit hoofde van een regeling ter reductie van koolstofemissies is betaald in de vorm van een belasting, heffing of vergoeding of in de vorm van emissierechten in een broeikasgasemissiehandelssysteem, berekend op broeikasgassen die onder dat systeem vallen en tijdens de productie van goederen zijn vrijgekomen;

  30. “installatie”: een vaste technische eenheid waarin een productieproces plaatsvindt;

  31. “exploitant”: een persoon die een installatie exploiteert of beheert in een derde land;

  32. “nationale accreditatie-instantie”: een nationale accreditatie-instantie zoals aangewezen door iedere lidstaat op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

  33. “EU-ETS-emissierecht”: een emissierecht zoals omschreven in artikel 3, punt a), van Richtlijn 2003/87/EG voor andere in bijlage I bij die richtlijn opgenomen activiteiten dan luchtvaartactiviteiten;

  34. “indirecte emissies”: emissies uit de opwekking van elektriciteit die wordt verbruikt tijdens de productieprocessen van goederen, ongeacht de plaats waar de verbruikte elektriciteit wordt opgewekt.

HOOFDSTUK II RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN TOEGELATEN CBAM-AANGEVERS

Artikel 4 Invoer van goederen

Artikel 5 Toelatingsaanvraag

Artikel 6 CBAM-aangifte

Artikel 7 Berekening van ingebedde emissies

Artikel 8 Verificatie van ingebedde emissies

Artikel 9 In een derde land betaalde koolstofprijs

Artikel 10 Registratie van exploitanten en installaties in derde landen

HOOFDSTUK III BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 11 Bevoegde autoriteiten

Artikel 12 Commissie

Artikel 13 Beroepsgeheim en openbaarmaking van informatie

Artikel 14 CBAM-register

Artikel 15 Risicoanalyse

Artikel 16 Rekeningen in het CBAM-register

Artikel 17 Toelating

Artikel 18 Accreditatie van verificateurs

Artikel 19 Beoordeling van CBAM-aangiften

HOOFDSTUK IV CBAM-CERTIFICATEN

Artikel 20 Verkoop van CBAM-certificaten

Artikel 21 Prijs van CBAM-certificaten

Artikel 22 Inlevering van CBAM-certificaten

Artikel 23 Terugkoop van CBAM-certificaten

Artikel 24 Annulering van CBAM-certificaten

HOOFDSTUK V REGELS VOOR DE INVOER VAN GOEDEREN

Artikel 25 Regels voor de invoer van goederen

HOOFDSTUK VI HANDHAVING

Artikel 26 Boetes

Artikel 27 Ontwijking

HOOFDSTUK VII UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 28 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 29 Comitéprocedure

HOOFDSTUK VIII RAPPORTAGE EN HERZIENING

Artikel 30 Herziening en rapportage door de Commissie

HOOFDSTUK IX COÖRDINATIE MET DE GRATIS TOEWIJZING VAN EMISSIERECHTEN IN HET KADER VAN HET EU-ETS

Artikel 31 Gratis toewijzing van emissierechten in het kader van het EU-ETS en verplichte inlevering van CBAM-certificaten

HOOFDSTUK X OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 32 Toepassingsgebied van de overgangsperiode

Artikel 33 Invoer van goederen

Artikel 34 Rapportageverplichting voor bepaalde douaneregelingen

Artikel 35 Rapportageverplichting

HOOFDSTUK XI SLOTBEPALINGEN

Artikel 36 Inwerkingtreding

BIJLAGE ILijst van goederen en broeikasgassen

BIJLAGE IILijst van goederen waarvoor op grond van artikel 7, lid 1, alleen directe emissies in aanmerking moeten worden genomen

BIJLAGE IIIDerde landen en gebieden die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen voor de toepassing van artikel 2

BIJLAGE IVMethoden voor de berekening van ingebedde emissies voor de toepassing van artikel 7

BIJLAGE VBoekhoudkundige vereisten voor informatie die wordt gebruikt voor de berekening van ingebedde emissies voor de toepassing van artikel 7, lid 5

BIJLAGE VIVerificatiebeginselen en inhoud van verificatieverslagen voor de toepassing van artikel 8